zaterdag 23 maart 2019

Advertentie / Anzeige Fördergerüste rund 1908 gebaut von August Klönne



De advertentie uit 1908
               


Rond 1908 werd door de constructiefirma “August Klönne” uit Dortmund verschillende door hem gepatenteerde schachtbokken gebouwd
In het kort komt Klönne’s patent op het volgende neer:

De schachtbok bestaat uit de vertikale geleideconstructie voor de schachtkooien met daaraan twee schoren of “schachtbenen” Het bijzondere aan deze schachtbok, is dat de vertikale geleideconstructie aan de boven – en onderkant in een punt uitloopt. De constructie is daardoor zowel aan de bodem als aan de schachtbenen min of meer scharnierend verbonden. Dit heeft als voordeel, dat de optredende buigingskrachten in de geleideconstructie worden opgevangen, waardoor buigingsschade zoveel mogelijk kan worden voorkomen.



Um 1908 baute die Konstruktionsfirme “August Klönne” aus Dortmund mehere von ihm patentierte Fördergerüste.
Kurz gesagt, lässt das Patent von Klönne sich auf Folgendes zurückführen:

Das Fördergerüst hat ein senkrechtem Führungsgerüst für den Förderkörben mit daran ein geneigt angeordnetem Strebenpaar Das Besondere daran ist das das Führungsgerüst aus einem Pendelpfeiler mit oberem und unterem Gelenk besteht. Das heisst, das das Führungsgerüst mehr oder weniger beweglich mit dem Boden und den Streben verbunden ist.
Dieses hat den Vorteil, dass die in den Führungsgerüst handelnden Biegekräfte Im Ganzen aufgefangen werden,  dass Biegeschäden möglichst vermieden werden können.


                            


Tekening uit het patent DE 158 157 van August Klönne 

Litt: Glück Auf: Berg- und Hüttenmännische Zeitschrift Jg. 43, nr 25 van 22 juni 1907 pag. 14
        Patent DE 158 157: Firma August Klönne Dortmund: "Fördergerüst mit geneigt angeordnetem, aus Fachwerk bestehendem            Strebenpaar und mit demselben verbundenem, senkrechtem Stützgerüst












donderdag 3 januari 2019

De Belgische legende van de ontdekking van de steenkool

Over de ontdekking van de steenkool bestaan vele legendes.
Zo wordt in Duitsland deze ontdekking toegeschreven aan een arme herdersjongen, die tussen zwarte stenen een vuurtje stookte en daarbij ontdekte, dat de stenen zelf ook brandden In Belgie en Frankrijk gaat hierover de volgende legende:

Op een dag, rond het jaar 1049, was Hullos, die hoefsmid van beroep was, aan het werk in zijn smidse. Zijn brede schouders en forse handen verrieden zijn uitzonderlijke kracht, maar zijn schamele kleding en uitstekende ribben wezen erop dat deze arme drommel een ellendig leven had. 

Toen verscheen een eerbiedwaardige oude man met lange grijze haren en een baard, en die gehuld was in een witte mantel.
"Gegroet, m'n beste, riep de grijsaard vanuit de deuropening. Werk hard en verdien nog meer !"
"Oh, beste grijsaard, wat wilt u dat ik verdien? Mijn ambacht levert nauwelijks voldoende op om van te leven. Mijn karige inkomsten gaan op aan de aanschaf van houtskool. Ik zit zonder houtskool, zonder geld en zonder brood. Er is zelfs geen melk meer in huis voor mijn jongste kind!"
"Vriend, antwoordde de vreemdeling, staak uw weeklacht! Uw moed strekt u tot eer, daarom ga ik u een manier vertellen om uw beroep lonender te maken.
Ga tot bij de Monnikenberg, waar u een zeer kostbaar zwartgesteente aan de oppervlakte zult zien liggen. Neem ervan zoveel u wilt en gebruik dit gesteente op dezelfde manier als houtskool. Hiermee zult u het ijzer uitstekend kunnen verhitten."

Nauwelijks had de onbekende deze woorden gesproken of hij was verdwenen. De hoefsmid twijfelde eerst, maar daarna was hij toch nieuwsgierig. Zonder haast ging hij naar de aange-wezen plaats, waar een zwart glimmend gesteente lag.
Hij hakte het los, betastte het, woog het op zijn hand en onderzocht het aan alle kanten. Zonder veel overtuiging vulde hij zijn leren tas met een paar stukken. Thuisgekomen wierp hij de inhoud van zijn tas in het uitdovende haardvuur.

En toen gebeurde een wonder! Het vuur wakkerde aan en de vlammen schoten opnieuw omhoog.

De zwarte stenen branden...
Bijna gek van vreugde greep Hullos een ijzeren staaf. En met een hart dat vervuld was van hoop, ging hij weer aan het werk.



Naar verluid is het Franse “houiller” voor kolenmijn afgeleid van de naam Hullos,
Bron: "Op verkenning in Blegny-mijn

woensdag 15 augustus 2018


Vandaag tegelijk met het online gaan van deze blog is - ongemerkt - in Duitsland een tijdperk van meer dan 200 jaar ten einde gegaan.
https://www1.wdr.de/nachrichten/ruhrgebiet/letzter-kohlehobel-im-ruhrgebiet100.html









Kolenwinning in holtes met stutten 2


In mijn vorige blog zagen we, dat wanneer de kolen niet te diep onder het aardoppervlak lagen,de kolen slechts in een beperkte ruimte rond de schacht werden weggegraven.
Wanneer de zaak driegde in te storten, begon men een eindje verderop gewoon opnieuw.
Om toch nog verder van de schacht te kunnen werken, werden er langzamerhand gestut.

In meiner früheren Blog sahen wir, dass wenn die Kohle nicht zu tief unter der Erde Oberflächen lagen, das die Kohle nur in einem begrenzten Raum um den Schacht werden abgebaut.
Beim drohende Zusammenbruch wurde  ein wenig weiter gerade wieder neu angefangen. . Noch weiter von der Welle, langsam aber sicher gab es aufgerichtet.
Für Abbau etwas weiter entfernt von den Schacht, fang man an mit eine einfache Unterstützungs-Methode.

Litt site Oswestry Borderland Heritage 


Kolenwinning in holtes zonder stutten

In het begin van de kolenwinning gebeurde dit alleen als de kolen niet te diep lagen. Er werd dan eerst simpel een schacht tot in de kolenlaag gegraven. Van daaruit werden dan de kolen rondom de schacht opgegraven, waardoor een holle ruimte ontstond.
Als alles dreigde in te storten, verliet men de holte en begon men een eindje verder op gewoon opnieuw met een nieuwe schacht etc.
Dergelijke schachten hadden doorgaans een diameter van 1-1,5 m en waren hoogstens 11 m diep. Door het weghalen van de kolen werd de holle ruimte onderaan de schacht meestal niet meer dan 3,75 m breed
Deze methode werd in Engeland in de einde 1600- begin 1700- e jaren gebruikt.


Am Anfang des Kohlebergbaus, das wird passiert sein dort wo der Kohle an den Oberflache waren.
Aber wenn Schicht Abraum zu dick war, wurde eine einfache Schacht bis in de Kohleflöz abgeteuft . Von dort wurden  rund um die Kohle ausgegraben, wodurch einen hohlen Raum entstand.
Wenn alles drohte ein zu stürzen, verliess man einfach den Hohlraum un d fang man ein wenig weiter mit eine neue Schacht an.
Solche Scha chten hatten in der Regel einen Durchmesser von 1-1,5 m und waren höchstens 11 m tief. Durch den Abbau der Kohle hatte der Hohlraum an der Unterseite in der Regel eine Durcmesser von höchstens 3,75 m breit
Diese Bergbaumethode wurde in Engeland von ende 1600-er bis Anfang 1700-er Jahre genutzt

Litt: Bob Bradley :Bell Pits